De-domesticatie in de praktijk: deel V selectie en genetica

Do. 27 – 12 – ‘12

Al ruim 20 jaar zet FREE Nature zich in om runderen en paarden te verwilderen. Slechts een beperkt aan rassen komt hiervoor in aanmerking en al deze rassen hebben van nature al een smalle genetische basis. Selectie van dieren vindt plaats op zelfredzaamheid, eigenschappen die bepalen of dieren wel of niet zelfstandig in de natuur kunnen overleven. Maar het vraagt ook constant waakzaamheid om niet al teveel genetisch materiaal verloren te laten gaan.

Of een dier zelfstandig in de natuur kan overleven wordt zowel door zijn genetische eigenschappen bepaald, als door het milieu waarin een dier is opgegroeid. Nog steeds schaft FREE regelmatig nieuwe dieren aan om nieuwe bloedlijnen toe te voegen. Maar als zo’n dier uit een meer gehouden situatie komt en nooit voor zijn plek heeft leren vechten, dan zal hij in een groot gebied het afleggen t.o.v. zijn concurrenten. Nieuwe dieren worden dan ook meestal in kleinere terreinen zonder al te veel concurrentie ingezet. Nu nakomeling, die onder meer natuurlijke omstandigheden opgroeien, worden vervolgens naar grotere terreinen overgebracht. Een extreem voorbeeld zijn twee stepperund koeien die ooit in Letland vanuit een dierentuin beschikbaar zijn gesteld. De dieren moesten zelfs nog leren dat gras aan de grond groeit en niet iedere dag in baaltjes hooi wordt gebracht. Hun nakomelingen leven nu zelfstandig in de Letse wildernis.

FREE werkt met verschillende rassen met daarin meerdere bloedlijnen; galloway (22 vrouwelijke lijnen en 11 mannelijke); Schotse hooglander (13 v & 9 m); rode geus (10 v & 6 m) & koniks (9 v & 6 m). Er wordt onderscheid gemaakt tussen mannelijke en vrouwelijke lijnen vanwege de verschillende manier dat zij hun genetisch materiaal doorgeven. De meeste genen zitten in de celkern. Vaders geven via het X chromosoom eigenschappen door aan hun nageslacht, maar eigenschappen op het Y chromosoom vererven alleen via zonen. Daarnaast zit er wat genetisch materiaal buiten de celkern, het zogeheten mitochondriaal DNA. Alleen de moederdieren geven dit door aan hun nageslacht, zowel aan zonen als dochters.

In de ideale wereld zouden de verschillende bloedlijnen gelijkmatig verspreid zijn over een populatie. Zo werkt de praktijk echter niet. Sommige lijnen blijken beter aangepast en zijn daardoor ruim vertegenwoordigd. Lijnen die minder aangepast zijn, zijn automatisch minder algemeen. Ook de startpopulatie speelt een rol: zo zijn er bij de koniks in de beginperiode veel dieren aangekocht van 2 bloedlijnen, die zijn nu oververtegenwoordigd. Het streven blijft om een zo groot mogelijke genetische variatie voor een duurzame populatie te behouden, echter niet ten koste van aangepastheid aan een zelfstandig leven in de natuur. In de praktijk betekent het soms dat bepaalde dieren behouden blijven en “tactisch” worden ingezet voor verbreden van genenpakket.